First-Line Juristen

Bruikleenovereenkomst of huurovereenkomst?

Huur wordt in artikel 7:201 BW omschreven als de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken, en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. Men kan zich afvragen wat moet worden verstaan onder het in het slot van deze begripsbepaling vermelde begrip ‘tegenprestatie'. Vallen hier bijvoorbeeld ook symbolische c.q. niet-marktconforme tegenprestaties onder?

Vorig jaar diende de voorzieningenrechter te Rotterdam zich in kort geding uit te laten over deze materie.

In deze zaak had een huurder aan haar verhuurder (woningbouwcorporatie Woonplus) te kennen gegeven niet langer in de door haar gehuurde woonruimte te willen wonen, wegens een schietincident dat aldaar had plaatsgevonden. De verhuurder gaf aan voor de huurder op zoek te gaan naar een andere huurwoning, en bood de huurder voor de tussengelegen periode een woning aan die de eerste maand om niet, en de daaropvolgende maanden voor een niet-marktconforme gebruiksvergoeding mocht worden bewoond.

De huurder wilde de tijdelijke woning uiteindelijk niet meer verlaten, waarop de verhuurder in kort geding ontruiming vorderde. De verhuurder was van mening dat hier sprake was van een bruikleenovereenkomst, de huurder stelde daarentegen dat sprake was van huur.

De voorzieningenrechter overwoog dat een kenmerkend verschil tussen een bruikleenovereenkomst en een huurovereenkomst is gelegen in het al dan niet verlangen en verschuldigd zijn van een tegenprestatie in ruil voor het gebruik van de woning. Gaat het bij een bruikleenovereenkomst om het in gebruik geven van de woning om niet, bij een huurovereenkomst dient sprake te zijn van een voldoende vastomlijnde tegenprestatie. Bij bepaling van de vraag om welke overeenkomst het gaat, is niet doorslaggevend hoe de contractuele relatie is betiteld. Bepalend is de strekking van hetgeen is overeengekomen in het licht van hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond.

De voorzieningenrechter oordeelde vervolgens dat het ervoor moest worden gehouden dat de tussen verhuurder en huurder gesloten overeenkomst als een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:201 BW was aan te merken, nu de essentialia gebruik en tegenprestatie tussen partijen waren overeengekomen. Het standpunt van verhuurder dat de door huurder betaalde vergoeding geen redelijke marktconforme tegenprestatie voor het genot van de woning betrof kon niet slagen, aangezien deze stelling niets afdoet aan het rechtskarakter.

Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een huur- dan wel bruikleenovereenkomst is de betiteling van de contractuele relatie niet van doorslaggevend belang. Het gaat om hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond. Dat bij het in gebruik geven van een zaak een tegenprestatie wordt afgesproken die niet marktconform is, brengt niet zonder meer mee dat dan geen sprake is van huur. Het is zodoende van belang bij het in gebruik geven van een zaak aan een ander goed na te gaan hoe de contractuele relatie moet worden gekwalificeerd. Dit kan immers verstrekkende gevolgen hebben voor uw mogelijkheden de in gebruik gegeven zaak weer toe te eigenen. Wij zijn u daarbij graag van dienst.

Bron: rechtennieuws.nl



Terug naar nieuwsoverzicht