First-Line Juristen

Onbeperkt aangaan van opvolgende arbeidsovereenkomsten

In artikel 7:668a BW is onder andere bepaald dat indien meer dan drie voor bepaald tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd (met tussenpozen van niet meer dan drie maanden), de laatste arbeidsovereenkomst geldt als voor onbepaalde tijd aangegaan.

In de zaak die op 20 juli 2013 voor het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch speelde, heeft het Gerechtshof zich uitgelaten over de vraag of het is toegestaan dat een werkgever en een werknemer naast een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegelijkertijd een vaststellingsovereenkomst met elkaar overeenkomen waarin een einddatum van de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Hoe verhoudt een dergelijke constructie zich tot artikel 7:668a BW? Kan een werkgever op deze wijze bewerkstelligen dat hij onbeperkt met een werknemer opvolgende arbeidsovereenkomsten kan overeenkomen die steeds eindigen op een door de werkgever gewenst moment?

Feiten
Werkgever en werknemer zijn met elkaar drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aangegaan (namelijk van 18 augustus 2008 tot 18 augustus 2009 (contract 1), van 18 augustus 2009 tot 18 februari 2010 (contract 2) en van 18 februari 2010 tot 18 februari 2011 (contract 3)). Vervolgens zijn partijen met elkaar een vierde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan met ingang van 18 februari 2011. In deze arbeidsovereenkomst is bepaald dat afspraken zijn gemaakt over de duur en beëindiging van de arbeidsovereenkomst in een vaststellingsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met wederzijds goedvinden zal eindigen per 1 januari 2012.

Vordering en standpunt werknemer
De werknemer stelt zich op het standpunt dat de vierde arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) in combinatie met de vaststellingsovereenkomst maakt dat feitelijk sprake is van een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die ingevolge artikel 7:668a BW geldt als voor onbepaalde tijd aangegaan. Daarnaast stelt werknemer zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst nietig is wegens strijd met het (driekwart) dwingende karakter van artikel 7:668a BW en nietig is omdat de bedoeling van de vaststellingsovereenkomst is om dit artikel te omzeilen. Tot slot stelt werknemer dat hij de vaststellingsovereenkomst onder protest heeft getekend, dat hij zich gedwongen voelde en dat zijn wil niet gericht was op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Volgens de werknemer had hij geen andere keuze dan de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen omdat hij anders per 18 januari 2011 werkloos zou zijn. De werknemer vordert een verklaring voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen 1 januari 2012 nietig is en vordert doorbetaling van zijn salaris na deze datum.

Vordering en standpunt werkgever
De werkgever heeft een verklaring voor recht gevorderd dat rechtsgeldig op 1 januari 2012 een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen. Volgens de werkgever zijn partijen een vaststellingsovereenkomst overeengekomen die deze beëindiging regelt. De werkgever betwist dat met de vaststellingsovereenkomst artikel 7:668a BW wordt omzeild. Volgens de werkgever is geen sprake van een overeenkomst in strijd met de goede zeden of openbare orde. Ook betwist de werkgever dat werknemer de vaststellingsovereenkomst onder protest of tegen zijn wil zou hebben getekend.

Oordeel kantonrechter
Voorafgaand aan het arrest van het Gerechtshof heeft de kantonrechter over deze zaak geoordeeld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het partijen niet vrij staat om van artikel 7:668a BW af te wijken. De kantonrechter oordeelt dat het bewust aangaan van een vaststellingsovereenkomst die tot oogmerk heeft om een door de wetgever aan de werknemer geboden bescherming te omzeilen nietig is wegens strijd met de openbare orde en/of goede zeden. Volgens de kantonrechter is de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig geëindigd op 1 januari 2012.

Ontbinding arbeidsovereenkomst
In verband met bovenstaande beslissing van de kantonrechter heeft de werkgever de kantonrechter verzocht (voor zover zou vast staan dat niet op 1 januari 2012 een einde aan de arbeidsovereenkomst zou zijn gekomen) de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Bij beschikking van 31 mei 2012 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen werkgever en werknemer per 1 juli 2012 voorwaardelijk ontbonden met toekenning van een schadevergoeding aan werknemer van EUR 49.000,--.

Oordeel Gerechtshof
De werkgever is in beroep gegaan tegen het vonnis van de kantonrechter waarin werd geoordeeld dat niet op 1 januari 2012 de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Het Gerechtshof komt tot een ander oordeel dan de kantonrechter.
Het Gerechtshof stelt vast dat partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen. Dat partijen tevens een andere overeenkomst zijn overeengekomen die bepaalt dat de genoemde arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou worden beëindigd per 1 januari 2012, kan aan de onbepaaldheid van de vierde arbeidsovereenkomst niet afdoen. Het Gerechtshof verwerpt het standpunt van werknemer dat sprake zou zijn van een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De tussen partijen overeengekomen beëindigingsovereenkomst dient te worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. Een dergelijk overeenkomst wordt gesloten ter voorkoming van een (toekomstige) onzekerheid of geschil tussen partijen. Partijen wensten zekerheid omtrent het einde van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en wilden elk conflict daarover kennelijk uitsluiten. Het Gerechtshof overweegt dat een dergelijke vaststellingsovereenkomst conform artikel 7:902 BW ook geldig is als zij in strijd mocht zijn met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud en strekking in strijd komt met de openbare orde of goede zeden. Het Gerechtshof oordeelt dat werknemer niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd dat hiervan sprake is en concludeert dat voor zover in dit geval al sprake zou zijn van strijd met (driekwart) dwingend recht, de vaststellingsovereenkomst toch geldig zou zijn. Het Gerechtshof concludeert dat het oordeel van de kantonrechter (dat een overeenkomst die erop gericht is om een dwingende wetsbepaling buiten werking te stellen nietig is wegens strijd met de openbare orde of goede zeden) niet juist is. Het Gerechtshof wijst de vordering van de werkgever toe en verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2012 is geëindigd.

Tot slot
Aan onderhavig geschil is nog geen einde gekomen. De werknemer heeft namelijk op 31 oktober 2013 cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof. Binnenkort zal de Hoge Raad zich dus over dit geschil uitlaten. Het arrest houdt de gemoederen bezig. Zo heeft het CNV in reactie op het arrest de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgeroepen om met regelgeving te komen die een dergelijke constructie tegen gaat zodat niet op deze manier tijdelijke contracten zich kunnen blijven opstapelen. Wordt dus vervolgd!

Bron: rechtennieuws.nl



Terug naar nieuwsoverzicht